Marion Korevaar

Vele wegen brachten me tot hier

Categorie: camino de santiago

Santiago de Compostella (#4)

Dit is mijn laatste nacht in een herberg. Morgen slaap ik in een hostel en hoef ik geen wekker meer te zetten, kan ik een kilo fruit kopen zonder dat mee te hoeven sjouwen, zal ik weer de moeite nemen om mijn benen te scheren, zet ik mijn wandelschoenen in een hoek en trek ik ze niet meer aan. Vanaf morgen ben ik geen pelgrim meer, maar toerist. Morgen heb ik 577 kilometer afgelegd, heb ik Santiago de Compostella bereikt.

Ik probeer me voor te stellen hoe ver 577 kilometer is. Ik raadpleeg Google. Als ik vanuit Leiden naar Maastricht zou wandelen, hoeveel kilometer zou dat dan zijn? Het antwoord blijkt 194 kilometer. Maastricht is dus eigenlijk best dichtbij. Ik googel verder. En Leiden-Parijs dan? Tot mijn verbazing blijkt ook Parijs ‘in de buurt’ te liggen. De afstand per voet is 447 kilometer. Ik zoek nog wat verder en ontdek dat de afstand Leiden-Orleans vergelijkbaar is met de afstand die ik heb afgelegd de afgelopen weken. Dat is een autorit van 7 uur en 33 minuten. Het is verwonderlijk hoe ver je lopend kunt komen met wat tijd en geduld.

De wekker gaat en ik voel dezelfde spanning en verwachting als vroeger voor Sinterklaas. Het is een onwerkelijk idee: de afstand die ik vandaag afleg, hoef ik morgen niet meer te wandelen. Of overmorgen, of de dag erna. Het is vandaag koud, 17 graden, en het regent een beetje. In gedachten neem ik afscheid van mijn camino. Het laatste 25-kilometerpunt, de laatste lunch, de laatste keer een regenhoes gebruiken, het laatste water uit mijn bidon, de laatste keer sokken wisselen, voor het laatst nieuwe blaren, een laatste ‘buèn camino’ voordat de stroom aan wandelaars te groot wordt en de gezichten te onbekend om elkaar nog gedag te zeggen.

Tien kilometer voor Santiago de Compostella verdwijnt mijn melancholische gemoedstoestand als ik de beek passeer waarin pelgrims zich van oudsher wassen. Het zien van de beek vergroot het gevoel van verwachting. Ik beklim nog één heuvel, Monte de Gozo. In de kapel bovenop de heuvel vraag ik om mijn een-na-laatste stempel. Vanaf Monte de Gozo kan ik Santiago de Compostella zien liggen. Het besef dat duizenden pelgrims vanaf deze heuvel voor het eerst zicht hadden op hun eindbestemming, creëert een gevoel van verbondenheid.

Ik zie een treintje door de oude straten van de stad rijden. Het puilt uit van de toeristen en ik grap: ‘Wow, this is the complete opposite of walking a camino.’ Dan zie ik een tunnel. In de tunnel speelt een doedelzakspeler Gallicaanse muziek en ik begin te huilen. Aan het eind van de tunnel bevindt zich de kathedraal. In mijn fantasie heeft de kathedraal de vorm aangenomen van een Disneypaleis, maar in werkelijkheid blijkt de kerk in de steigers te staan als gevolg van waterschade. Ik schiet in de lach. Een pelgrim wijst me op de 0-kilometersteen. Ik besef dat het klaar is. De bijbelse zin ‘het is volbracht’ schiet door mijn hoofd.

Op het plein voor de kathedraal zitten groepjes pelgrims. De rugzakken liggen achteloos verspreid om hen heen. Ook ik ga zitten naast de pelgrims met wie ik het laatste deel van de camino heb gewandeld. Ik ken hun beweegreden voor het wandelen van deze tocht, weet waarom het bereiken van de eindbestemming belangrijk is en deel met hen in de emoties die vrijkomen. Ik kijk om mij heen en zie de gezichten van de pelgrims die na mij aankomen. Ik zie hoe mountainbikers hun fiets optillen tot boven het hoofd. Ik zie hoe een groep jongeren samen een lied zingt, danst en in de handen klapt. Ik zie kinderen die hun vader opwachten en de uitgelaten reactie van een hond die zijn baasje weer ziet. Hij is er weer. Ik zie pelgrims die elkaar omhelzen en huilen.

Ik voel me plotseling moe en uitgeput, maar ook ontzettend trots en dankbaar. Ik hoef morgen misschien niet meer te wandelen, maar de reis die ik heb gemaakt eindigt niet bij de 0-kilometersteen.

Afstand (#3)

In Galicia staan om de paar meter paaltjes waarop het aantal kilometers tot aan Santiago wordt getoond. Elk paaltje brengt me een beetje dichterbij mijn eindbestemming. Dat zou een opluchting moeten zijn, maar zo voelt het niet.

Als ik een goed boek lees, zie ik vaak op tegen het moment waarop het verhaal eindigt. Ik voel me altijd wat verloren als ik na het lezen van de laatste zin, weer terugkeer naar mijn eigen werkelijkheid. De opgeroepen emoties en de beelden zijn nog aanwezig, maar als lezer maak ik geen deel meer uit van het verhaal.

Zo voel ik me ook nu ik Santiago de Compostela nader. De laatste pagina’s worden omgeslagen, maar ik ben er nog niet klaar voor om dit boek dicht te slaan. Ik ben gehecht geraakt aan het pelgrimsleven.

Van de gedachten die in mijn hoofd rondspoken, kan ik niet slapen. Ik tel de uren af tot ik weer mag lopen en merk de volgende ochtend op dat dat precies is wat ik nodig heb. Het verbaast me dat wandelen zelfs na 23 dagen nog louterend werkt.

Drie weken geleden schreef ik dat veel pelgrims op pad gaan omdat ze afstand willen nemen van het leven dat ze thuis leiden. Ik wandel deze camino niet omdat ik op zoek ben naar antwoorden. Ik ben gewoon een docent met heel veel weken vakantie. Mijn leven heb ik overzien tijdens mijn burn-out. Nu ben ik tevreden. Mijn leven is in balans.

Toch is afstand nemen wel het effect dat de camino heeft. Terwijl ik door Galicia wandel, vraag ik me af of de balans die ik heb gecreëerd me wel echt gelukkig maakt. Heb ik de afgelopen jaren niet gewoon geleerd niet te veel te piekeren en genoegen te nemen met de norm?

In een leven dat gedomineerd wordt door een klok, of een schoolbel, is namelijk geen tijd om eindeloos over bepaalde vragen na te denken, te twijfelen. Er is geen tijd om stil te staan bij emoties of met aandacht te kijken naar de natuur.

Ik geniet daarom van de intense emoties die deze ervaring oproept. Het aangaan van de strijd met mijn eigen emoties en gedachten, vertelt me iets over wie ik ben en wat ik belangrijk vind. Ik bedenk me dat geluk voor mij geen optelsom van positieve gevoelens inhoudt. Misschien betekent geluk wel gewoon ‘in contact met mezelf’ en dat is precies wat de camino me heeft gegeven.

Het kilometerpaaltje vertelt me dat ik nog 50 kilometer van mijn eindbestemming ben verwijderd. Ik heb nog tijd om te verzinnen hoe ik van mijn eindbestemming een tussenstap kan maken, en van een dichtgeslagen boek een boekenreeks.

I wanna be free as the winds (#2)

Het bos waardoor ik afdaal geeft me een desolaat gevoel. Een deel van de bomen is gekapt. De zwartgeblakerde stammen liggen verspreid over de helling. De bomen die nog overeind staan, hebben de bosbrand van april overleefd. Alleen de toppen van die bomen staan in blad. Het felle groen van de boombladeren en de varens op de grond contrasteert tegen de donkere takken en stammen. Het bos herinnert mij aan Estland door de saunageur die ik ruik. Het gerinkel van koebellen verraadt de aanwezigheid van vee. Ik vraag me af wat slechter is: het eten van een koe die roetdeeltjes heeft gegeten of een koe die zwartgeblakerd is van de barbecue. In de verte zie ik een stuwdam.

Het uitzicht is indrukwekkend, maar de afdaling is allesbehalve comfortabel. Binnen 8 kilometer wordt er 900 meter gedaald. De hoogtemeters van de afgelopen dagen voel ik in mijn vermoeide voeten, zere schouders en bovenal mijn knieën. Ik probeer mijn voeten niet te lomp neer te zetten en mijn spieren aan te spannen, maar dat kost energie. Als ik bij het stuwmeer ben, heb ik een pauze verdiend. Ik ben moe. Ik wil niet meer.

Het is nog 7 kilometer wandelen tot de volgende albergue (herberg). Die afstand is te overzien, maar ik weet ook dat er nog 500 meter moet worden gestegen. De route biedt geen afleiding. De autoweg waarlangs ik loop, kun je niet het hoogtepunt van de camino noemen. Ik neem kleine pasjes, het voelt alsof er lijm onder mijn schoenen zit en ik kijk voortdurend zuchtend om. Het schiet niet op. Langs de weg staan kilometerbordjes. De bordjes tellen af tot Grandas de Salime. Dat is de plek waar ik naartoe ga. Als het kilometerbordje ‘2 kilometer’ aangeeft, weet ik dat ik er bijna ben. De gele pijl stuurt mij plotseling van de autoweg af, richting het bos. Het bijbehorende bordje geeft aan dat ik over 1.5 km bij de herberg ben. Ik sla af en bedenk me dat ik over 15 minuten in een bed kan gaan liggen. Het pad gaat meteen stijl omhoog. Ik scheld hardop: ‘Stelletje, fuckers! Willen gewoon geen pelgrims over de autoweg. Dit is echt geen 1.5 kilometer.’ Een pelgrim zit op een steen. Kramp. Ik vraag of hij water heeft en of ik wat voor hem kan doen, maar hij wil geen hulp. Ik zwoeg door. Het zweet druppelt over mijn voorhoofd, mijn sokken voelen nat, af en toe verlies ik bijna mijn evenwicht. De helling is te stijl voor een lichaam dat niet meer wil.

Als ik in Grandas de Salime aankom, besluit ik naar een albergue privado te gaan en niet naar een albergue municipal. De afgelopen twee nachten sliep ik in oude schoolgebouwtjes met dode vliegen op de vloer, krakkemikkige stapelbedjes, beschimmelde douches en dunne, verzakte matrassen waardoor je de lattenbodem kunt voelen. De gemeentelijke herbergen voldoen, zijn zelfs gezellig te noemen, maar vannacht wil ik heel lang en goed slapen. Ik betaal dus 6 euro meer voor een slaapzaal met een echt bed.

Nadat ik me heb gedoucht, kruip ik meteen in bed en val in slaap. Een uur later word ik wakker. Er arriveert een oudere Italiaanse man. Ik weet meteen: dat is een snurker. Het is een overhaaste generalisatie die toch vaak waar blijkt te zijn: oudere mannen met overgewicht snurken. Hij krijgt het bed boven mij toegewezen en ik hoop dat mijn vooroordeel niet waar blijkt te zijn.

Het is inmiddels 01.00 uur en ik kan wel huilen. De Italiaanse pelgrim snurkt niet alleen, maar maakt in zijn slaap ook kermende geluiden. Bovendien laat hij luide scheten en krijgt hij het voor elkaar om dit stevige stapelbed harder te laten bewegen dan een krakkemikkig bedje uit een gemeentelijke herberg. Ik neem mijn zelfopblazende campingmatje en ga slapen in de keuken. Terwijl ik mijn ‘bed’ sta op te maken, komt de Sloveense pelgrim uit het stapelbed naast mij naar de keuken. Hij begint te lachen als hij ziet dat ik daar met mijn campingmatje sta, maar moet vooral ook even stoom afblazen. Ook hij heeft nog niet geslapen.

Ik val onmiddellijk in slaap, maar word om half 5 alweer wakker, omdat de Italiaanse pelgrim heeft bedacht dat hij in het holst van de nacht wil vertrekken en het licht daarom aandoet in de keuken. Ik zucht, pak mijn dekens op en verkas weer naar de slaapzaal, waar ik nog twee uur probeer te slapen.

Als mijn wekker uiteindelijk gaat om half 7, voel ik mij moe. De dichtstbijzijnde herberg is 27 kilometer lopen van Grandas de Salime en het mantra dat in mijn hoofd klinkt, is: ‘Dat kan ik niet!’. Ik wil echter ook niet zomaar opgeven en maak twee afspraken met mezelf: als het echt niet gaat, neem ik een taxi naar de volgende plek en ik stop bij elke bar om iets te eten en te drinken. De energievoorraad die ik thuis met veel liefde, chocola, heb aangelegd, slinkt vlot en in de spiegel zie ik een vermagerde versie van mezelf.

De eerste 2.5 kilometer moet ik huilen. 27 kilometer lijkt een onoverbrugbare afstand. Bovendien is het mistig, waardoor ik me nog meer verloren voel. Bij het eerste barretje plof ik neer. Ik drink wat, eet een potje Pringles en praat met andere pelgrims. Sommige pelgrims luisteren muziek tijdens het wandelen. Dat vind ik zonde, want hoe kun je dan de vogels, en bijen en koeien horen, maar ik heb iets nodig wat me vandaag motiveert. Ik zet een afspeellijst aan en loop verder. Ik merk op dat ik vooral mentaal moe ben, want mijn lichaam lijkt ondanks de onrustige nacht goed hersteld te zijn. Eigenlijk loop ik best wel lekker. Als ik de grens tussen Asturië en Galicia passeer, breekt de zon voorzichtig door de mist en alsof het universum, of God, ik loop immers een pelgrimstocht, mij iets probeert te vertellen hoor ik op dat moment de volgende songtekst van Passenger:

I wanna be free as the winds that blow past me
Clear as the air that I breath
To be young as the morning
And old as the sea

Ik weet weer waarom ik deze camino loop.

Camino del Norte

Alle tijd van de wereld (#1)

Het is half 8. Ik wandel in mijn eentje en zie hoe de zon probeert door het wolkendek heen te breken. Als dat even lukt, krijgt het gras een intens groene kleur. De koeien zijn zonder dat ze dat weten, leden van een orkest. Wind en beweging dirigeren hun instrumenten. Het rinkelende geluid van koebellen is nooit ver weg.

Mijn beleving van tijd is anders tijdens het lopen. Ik zou elke wandeltocht kunnen meten in lesuren of in Netflixafleveringen. Het besef dat een wandeltocht 7 Netflixafleveringen duurt, zou me echter onmiddellijk ontmoedigen. Hoewel ik mezelf regelmatig verlies in een boeiende serie en dan het gevoel kan hebben dat een aflevering maar 1 minuut heeft geduurd, kijk ik nooit 7 afleveringen in één dag. Mijn hoofd zou uitgeput raken van alle indrukken.

Mijn beleving van tijd is anders tijdens het lopen.

Ik dacht dat ik me op een gegeven moment zou gaan vervelen, dat elke wandeling heel lang zou duren, maar niets blijkt minder waar te zijn. Niet alleen verandert de lucht steeds van kleur en hoor ik het rinkelende geluid van grazende koeien, maar ook zie ik vlinders met elkaar dansen en Spaanse muurhagedissen zonnen op een steen.

De kleur groen heeft oneindig veel varianten. Soms loop ik over een paadje door een oud bos met boomstronken die boven mij uit torenen. Het groen is somber en intens. Dan loop ik weer door een grasveld met wilde bloemen. Het groen licht op door de zon en steekt fel af tegen de felle kleuren van de bloemen.

Ik heb geen haast.

De Camino Primitivo loopt door het Asturische platteland. Ik loop door dorpjes en zie de bloemrijke gevels van de huizen. Omaatjes in omajurken hangen uit een raam. Ik groet ze en ze wensen me ‘Buen Camino’. Ik zie uitgestrekte boomgaarden, maar fruit kan ook zo worden geplukt of opgeraapt langs de kant van de weg: voornamelijk pruimen en bramen. De appels en avocado’s zijn nog niet rijp. Een oud boertje voert samen met zijn kleinzoon de koeien over de weg naar de nabijgelegen weide. Een hond kijkt nauwlettend toe.

Het landschap verandert. De Asturische bergen doemen in de verte op. Over een paar dagen wandel ik door het decor dat ik nu van een afstandje bekijk. Ik heb geen haast. Het maakt niet uit of ik vandaag 6 uur of 7 uur doe over de wandeltocht. Ik zoek een mooie plek om mijn sokken even te drogen en eet wat. Terwijl ik alle indrukken op me in laat werken, realiseer ik mij hoe fijn het is om alle tijd van de wereld te hebben (toch nog zeker 2 weken).

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén

%d bloggers liken dit: