Marion Korevaar

Vele wegen brachten me tot hier

Categorie: Quetzaltrekkers Guatemala

Verbonden

Voor me schuifelt een 22-jarige reizigster over het pad. Haar voeten doen zeer. De schoenen die ze draagt zijn haar onbekend. Haar hielen zijn ontveld en haar tenen stoten bij elke stap tegen de rand van haar schoen. De ondergaande zon kleurt het verdorde maisveld goudgeel. Terwijl mijn benen gedwongen zijn zich aan te passen aan het ritme van de wandelaarster voor me, laat ik mijn gedachten de vrije loop. Ik mijmer over Quetzaltrekkers en over de gemeenschap die ik samen met de andere gidsen vorm.

Ik werk, woon en leef samen met een groep mensen die ik twee maanden geleden nog niet kende. Hoewel het soms overweldigend is om zoveel mensen om me heen te hebben, voel ik me ook onderdeel van het geheel, van de gemeenschap. We koken samen, doen de afwas, ruimen op, organiseren trektochten, dragen verantwoordelijkheden voor onze cliënten en voor het voortbestaan van de school, we klagen over slaapgebrek, zijn tegelijk ziek, lachen om elkaar en om elkaars stupide acties en denken na over maatschappelijke vraagstukken.

Wat mij eigenaardig maakt, is bekend bij de andere Quetzaltrekkers. Wie dag en nacht samen is, kan zich niet verbergen. Ik voel me verbonden. Ik realiseer me dat ik dat gemist heb de afgelopen jaren. Na mijn studententijd was ik dochter, zus, vriendin, collega, docent en sportmaatje, maar nooit allemaal tegelijk.

22% van de Nederlanders woont alleen. Het woord alleenstaand dekt niet de lading. Ik sta niet alleen. Ik heb lieve vrienden en familie om me heen. En toch was ik meer alleen dan ik aan mezelf wilde toegeven. Ik was alleen als ik moe was, maar toch voor mezelf moest koken, ziek was en toch naar de winkel moest, iets grappigs, verdrietigs, moois of memorabels had meegemaakt en dat alleen via Whatsapp kon delen, niemand een hand op mijn schouder, een por in mijn zij of een duw in de rug gaf en ik mezelf wijs maakte dat ik dat niet nodig had. Na mijn studententijd was er niemand met wie ik vrijwel dagelijks alle aspecten van mijn leven deelde.

Een gemeenschap lijkt in Nederland voorbehouden te zijn aan stellen en gezinnen en toch geloof ik dat dat niet de enige manier is om je verbonden te voelen met anderen. De dorps-, kerk- en leefgemeenschap zoals die 50 jaar geleden bestond, is vervangen door een meer individualistische benadering van vrije tijd en relaties. De mogelijkheid om je leven zo in te kunnen richten als je zelf wilt, zonder de kritische blik van anderen, is een waardevolle verworvenheid. En toch vraag ik me af in hoeverre een gebrek aan gemeenschapszin bijdraagt aan gevoelens van depressie en het ontstaan van burn-outs. Als ik terugdenk aan mijn burn-out 5 jaar geleden, herinner ik me voornamelijk hoe zeer ik me vervreemd voelde van de wereld om me heen.

Quetzaltrekkers is hard werken: 7 dagen per week, soms 15 uur per dag. En toch voelt de werkdruk heel anders dan in het onderwijs. Als ik moe ben doet een ander de afwas en als een ander ziek is, zet ik thee. Als we elkaar aankijken weten we met één blik hoe de ander zich voelt en kunnen we daarop anticiperen. We dragen samen verantwoordelijkheid voor onze werkzaamheden, zorgen er samen voor dat we ons hier thuis voelen en zetten ons samen in voor hetzelfde doel: geld inzamelen voor Escuela de la Calle. Ik voel me verbonden met de mensen om me heen en het doel waarvoor ik me inzet en dat is elke pijnlijke spier, korte nacht en buikkramp waard.

Hoog gegrepen

Tussen de bomen dansen de hoofdlampen van de wandelaars die voor me lopen. Mijn lamp is gericht op de rotsachtige ondergrond. Af en toe kijk ik op in de hoop dat ik de afstand met de andere wandelaars heb weten te overbruggen. Elke blik in de verte vergroot echter mijn wanhoop. Mijn handen en voeten tintelen, ik voel me misselijk en elke stap kost moeite. Ik probeer niet in paniek te raken, rustig te blijven, te ademen, me alleen te focussen op de volgende stap. Het pad wordt steiler. Met handen en voeten klauter ik omhoog. Bovenaan het steile gedeelte wacht de andere gids. Ik plof neer op de grond, probeer golven van misselijkheid te negeren en kijk uiteindelijk op naar Sebastian. “Het gaat niet. Ik keer om.”

Het hoogste punt in Midden-Amerika is de vulkaan Tajumulco. De 4220 meter die deze vulkaan hoog is, boezemt me angst in. Na 5 tochten naar het meer kijk ik echter ook uit naar een nieuwe tocht, een nieuwe uitdaging.

Ik hoop vooraf dat een van de wandelaars een pakezel heeft geboekt. Dat scheelt mij als gids een hoop gesjouw. Een dag voor vertrek ontmoet ik de andere wandelaars. Het zijn er drie. Ze vertellen waar ze vandaan komen: Nieuw-Zeeland, Pyreneeën en de Alpen en ik denk: dat wordt doorlopen morgen en een pakezel zit er vast niet in.

Mijn vrees blijkt ongegrond te zijn. Het is een geleidelijke klim en ik vind al snel een monotoon ritme dat het toelaat om weg te dromen. Na anderhalf uur wandelen liggen we een uur voor op schema. We lassen een pauze in, eten avocado’s en genieten van de zon. Het wolkendek bevindt zich onder me.

Rond 3800 meter wordt ademen lastiger, mijn benen voelen zwaar. Bewegen kost steeds meer energie en gaat trager en trager. Aan het bewegingsritme van de andere wandelaars kan ik zien dat ook zij strijden tegen een gebrek aan zuurstof. Ik voel me licht in mijn hoofd. Sneller dan verwacht wordt het basiskamp bereikt. We zetten de tenten op, verzamelen hout voor het kampvuur en doen een dutje in de zon.

Voor zonsondergang staat nog een klim van 100 meter op het programma naar de tweede top van Tajumulco, Cerro Concepcion (4100 meter). De inspanning kost me verrassend veel moeite. De top is gehuld in wolken. Ik heb het koud. Het uitzicht is niet wat ik ervan had verwacht.

Tot het ze, opeens, toont in z’n hogen staat.* Opnieuw word ik gegrepen door de kleurschakeringen. Elke meter wandelen, en soms afzien, is dit uitzicht waard. De majestueuze top van Tajumulco, de pittoreske dorpjes in het dal, de paars-roze wolken en de vuurrode zon zijn adembenemend.

Mijn misselijkheid en de moeizame meters naar de top ben ik al snel vergeten. Ik hoef nog maar 12 uur te wachten tot zonsopkomst. We dalen in het donker af naar het basiskamp, 100 meter lager.

Het is muisstil in het bos. We zijn de enige wandelaars. Het kampvuur houdt ons warm en de sterrenhemel is minstens zo spectaculair als de zonsondergang. Om 21 uur is het tijd om te gaan slapen. De wekker gaat de volgende ochtend om 3.45. Er moet nog een uur geklommen worden om de de zonsopgang te zien.

Slapen doe ik echter nauwelijks. Ik heb het ijskoud, mijn blaas lijkt door de hoogte en de kou gekrompen te zijn en mijn buik is van slag. Als de wekker gaat, voel ik me belabberd. Aan opgeven wil ik echter niet denken. Ik heb de afgelopen twee jaar meer dan 2000 kilometer gewandeld. 200 meter klimmen zou geen onhaalbare afstand moeten zijn.

En toch keer ik om voor ik de top heb bereikt. De zonsopkomst vanaf het basiskamp is zeker niet onaardig, maar het gevoel dat ik heb gefaald, laat me niet los. Had ik met wat meer doorzettingsvermogen die top toch niet kunnen halen? Ik denk terug aan de Amerikaan die drie dagen heeft afgezien. 150 meter klimmen is een minimale afstand.

In Xela vragen de andere gidsen naar mijn eerst TJ, Tajumulco. Ik baal nog steeds, heb geen zin om te praten, om te vertellen dat ik ben omgekeerd. De wekelijkse voetbaltraining met de kinderen sla ik over. Een ervaren gids blijft ook achter, vraagt me naar mijn ervaring, en als ik dan eindelijk vertel dat ik ben omgekeerd, is haar reactie: “Goed zo, dat was de enige juiste beslissing”.

Ik zag niet de zonsopkomst vanaf de top, maar wel de zonsondergang vanaf de tweede top, haalde niet het hoogste punt van Midden-Amerika, maar wel het op één na hoogste punt. De top was hoog gegrepen, maar niet te hoog. En komen nog genoeg kansen.

* Een kleine ode aan J.C. Bloem

Ademnood

“Je ademt niet eens”. Een 61-jarige Amerikaan kijkt me verontwaardigd aan. Aan zijn tas bungelt een Caminoschelp. Na vier haarspeldbochten, wat boomstronken en onhandig geplaatste stenen, staat de man hijgend bij te komen. Hoe lang dit zo doorgaat? Diplomatiek antwoord ik dat we bijna bij de eerste rustplek zijn. 5 ademteugen, een paar wandelpassen vooruit, weer wat ademteugen, een wanhopige blik, en en nog wat passen vooruit. Het is de vijfde keer dat ik deze berg op wandel. De klim begint op 2300 meter en eindigt op 3050. Ik voel mee met de man die het zweet van zijn voorhoofd veegt en probeert zijn ademhaling te controleren. Op 3000 meter hebben de meeste mensen geen last van hoogteziekte, maar je merkt wel dat de lucht ijler is.

Ik denk terug aan mijn eerste tocht. Net als de man die voor mij loopt, kwam ik na een paar passen al in ademnood. Trillend op mijn benen probeerde ik de verzuring in mijn kuiten te negeren, terwijl ik me wanhopig afvroeg hoe ik dit nog 18 keer zou gaan doen.

Ik spreek de Amerikaan bemoedigend toe, terwijl ik ondertussen van het uitzicht geniet. De vulkanen Santa Maria en Tajumulco torenen boven het landschap uit. Ik zie Xela, de stad waar ik woon. De Amerikaan en ik vorderen langzaam. Guatemalteken lopen me tegemoet. Ze dragen hout op hun rug. Het kappen van bos is voor hen de goedkoopste manier om hun huis te verwarmen of te koken. De Amerikaan drinkt een slokje water. Ik neem de hoge, oeroude bomen in me op en geniet van alle kleuren op me heen: de verschillende kleuren groen van het bos, de fel gekleurde bloemen, de zon die door de bladerenschijnt.

Ik adem wel, maar je hoort me niet. De helling die eerst zo onmogelijk leek, heeft inmiddels geen geheimen meer voor me. Tijdens mijn vierde wandeltocht, slechts 3 dagen eerder, heb ik mijn weg door het bos weten te vinden door voetsporen te volgen. De ervaren gids op deze route moest onverwachts terugkeren met een wandelaar die ziek was geworden en na 10 minuten klimmen moest afhaken. Bij elk kruispunt bluf ik mezelf de juiste richting uit. De groep volgt me vol vertrouwen. Ik haal opgelucht adem als ik aan het einde van de helling het bos achter me laat en op de juiste plek in het maïsveld uitkom.

Vandaag loop ik echter achteraan. Tussen twee ademhalingen in verontschuldigt de Amerikaan zich. Hij wil mijn hike niet verpesten. Dat doet hij ook niet. Het voelt nog steeds als een voorrecht om hier te mogen wandelen en van de natuur te mogen genieten. Elke hike ben ik fysiek fitter dan de vorige keer en heb ik meer energie over om aandacht te besteden aan mijn omgeving. Ik antwoord dat ik dit werk vrijwillig doe en dat ik hier niet zou lopen als ik dat niet graag zou doen.

De Amerikaan zet door. Van vermoeidheid zet hij soms een pas naast het pad. Ik probeer hem voor valpartijen te behoeden door zijn tas vast te grijpen. De andere wandelaars juichen de Amerikaan toe als we de lunchplek bereiken en Don Pedro onthaalt hem aan het einde van de dag met veel liefde en gastvrijheid in zijn huis.

Als de wekker de volgende ochtend om 3.40 uur gaat, moppel ik tegen mijn medegids dat het midden in de nacht is en ik trek mijn slaapzak nog even over mijn gezicht. 5 minuten later sta ik toch op en maak ik de andere wandelaars wakker.

Ik haal de medkit tevoorschijn, plak wat tape op voeten, deel paracetamol uit, zoek mee naar verloren kledingstukken en maan de wandelaars aan tot haast. De zonsopkomst wacht op ons. De Amerikaan zucht nog eens diep. De laatste meters naar het uitkijkpunt gaan door een stikdonker maïsveld. De wandelaars leggen hun matjes neer, pakken hun slaapzak en kijken verwachtingsvol naar de horizon terwijl wij, de gidsen, water koken en het ontbijt klaarzetten.

Langzaam verkleurt de hemel: van zwart naar donkerblauw, naar rood, roze, oranje en uiteindelijk laat ook de zon zich zien. Fuego erupt en voegt wat donkere aswolken aan het kleurspektakel toe. Ik deel thee, koffie en chocolademelk uit, maak wat foto’s van wandelaars en denk: “Morgen mag ik weer.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén

%d bloggers liken dit: