Het bos waardoor ik afdaal geeft me een desolaat gevoel. Een deel van de bomen is gekapt. De zwartgeblakerde stammen liggen verspreid over de helling. De bomen die nog overeind staan, hebben de bosbrand van april overleefd. Alleen de toppen van die bomen staan in blad. Het felle groen van de boombladeren en de varens op de grond contrasteert tegen de donkere takken en stammen. Het bos herinnert mij aan Estland door de saunageur die ik ruik. Het gerinkel van koebellen verraadt de aanwezigheid van vee. Ik vraag me af wat slechter is: het eten van een koe die roetdeeltjes heeft gegeten of een koe die zwartgeblakerd is van de barbecue. In de verte zie ik een stuwdam.

Het uitzicht is indrukwekkend, maar de afdaling is allesbehalve comfortabel. Binnen 8 kilometer wordt er 900 meter gedaald. De hoogtemeters van de afgelopen dagen voel ik in mijn vermoeide voeten, zere schouders en bovenal mijn knieën. Ik probeer mijn voeten niet te lomp neer te zetten en mijn spieren aan te spannen, maar dat kost energie. Als ik bij het stuwmeer ben, heb ik een pauze verdiend. Ik ben moe. Ik wil niet meer.

Het is nog 7 kilometer wandelen tot de volgende albergue (herberg). Die afstand is te overzien, maar ik weet ook dat er nog 500 meter moet worden gestegen. De route biedt geen afleiding. De autoweg waarlangs ik loop, kun je niet het hoogtepunt van de camino noemen. Ik neem kleine pasjes, het voelt alsof er lijm onder mijn schoenen zit en ik kijk voortdurend zuchtend om. Het schiet niet op. Langs de weg staan kilometerbordjes. De bordjes tellen af tot Grandas de Salime. Dat is de plek waar ik naartoe ga. Als het kilometerbordje ‘2 kilometer’ aangeeft, weet ik dat ik er bijna ben. De gele pijl stuurt mij plotseling van de autoweg af, richting het bos. Het bijbehorende bordje geeft aan dat ik over 1.5 km bij de herberg ben. Ik sla af en bedenk me dat ik over 15 minuten in een bed kan gaan liggen. Het pad gaat meteen stijl omhoog. Ik scheld hardop: ‘Stelletje, fuckers! Willen gewoon geen pelgrims over de autoweg. Dit is echt geen 1.5 kilometer.’ Een pelgrim zit op een steen. Kramp. Ik vraag of hij water heeft en of ik wat voor hem kan doen, maar hij wil geen hulp. Ik zwoeg door. Het zweet druppelt over mijn voorhoofd, mijn sokken voelen nat, af en toe verlies ik bijna mijn evenwicht. De helling is te stijl voor een lichaam dat niet meer wil.

Als ik in Grandas de Salime aankom, besluit ik naar een albergue privado te gaan en niet naar een albergue municipal. De afgelopen twee nachten sliep ik in oude schoolgebouwtjes met dode vliegen op de vloer, krakkemikkige stapelbedjes, beschimmelde douches en dunne, verzakte matrassen waardoor je de lattenbodem kunt voelen. De gemeentelijke herbergen voldoen, zijn zelfs gezellig te noemen, maar vannacht wil ik heel lang en goed slapen. Ik betaal dus 6 euro meer voor een slaapzaal met een echt bed.

Nadat ik me heb gedoucht, kruip ik meteen in bed en val in slaap. Een uur later word ik wakker. Er arriveert een oudere Italiaanse man. Ik weet meteen: dat is een snurker. Het is een overhaaste generalisatie die toch vaak waar blijkt te zijn: oudere mannen met overgewicht snurken. Hij krijgt het bed boven mij toegewezen en ik hoop dat mijn vooroordeel niet waar blijkt te zijn.

Het is inmiddels 01.00 uur en ik kan wel huilen. De Italiaanse pelgrim snurkt niet alleen, maar maakt in zijn slaap ook kermende geluiden. Bovendien laat hij luide scheten en krijgt hij het voor elkaar om dit stevige stapelbed harder te laten bewegen dan een krakkemikkig bedje uit een gemeentelijke herberg. Ik neem mijn zelfopblazende campingmatje en ga slapen in de keuken. Terwijl ik mijn ‘bed’ sta op te maken, komt de Sloveense pelgrim uit het stapelbed naast mij naar de keuken. Hij begint te lachen als hij ziet dat ik daar met mijn campingmatje sta, maar moet vooral ook even stoom afblazen. Ook hij heeft nog niet geslapen.

Ik val onmiddellijk in slaap, maar word om half 5 alweer wakker, omdat de Italiaanse pelgrim heeft bedacht dat hij in het holst van de nacht wil vertrekken en het licht daarom aandoet in de keuken. Ik zucht, pak mijn dekens op en verkas weer naar de slaapzaal, waar ik nog twee uur probeer te slapen.

Als mijn wekker uiteindelijk gaat om half 7, voel ik mij moe. De dichtstbijzijnde herberg is 27 kilometer lopen van Grandas de Salime en het mantra dat in mijn hoofd klinkt, is: ‘Dat kan ik niet!’. Ik wil echter ook niet zomaar opgeven en maak twee afspraken met mezelf: als het echt niet gaat, neem ik een taxi naar de volgende plek en ik stop bij elke bar om iets te eten en te drinken. De energievoorraad die ik thuis met veel liefde, chocola, heb aangelegd, slinkt vlot en in de spiegel zie ik een vermagerde versie van mezelf.

De eerste 2.5 kilometer moet ik huilen. 27 kilometer lijkt een onoverbrugbare afstand. Bovendien is het mistig, waardoor ik me nog meer verloren voel. Bij het eerste barretje plof ik neer. Ik drink wat, eet een potje Pringles en praat met andere pelgrims. Sommige pelgrims luisteren muziek tijdens het wandelen. Dat vind ik zonde, want hoe kun je dan de vogels, en bijen en koeien horen, maar ik heb iets nodig wat me vandaag motiveert. Ik zet een afspeellijst aan en loop verder. Ik merk op dat ik vooral mentaal moe ben, want mijn lichaam lijkt ondanks de onrustige nacht goed hersteld te zijn. Eigenlijk loop ik best wel lekker. Als ik de grens tussen Asturië en Galicia passeer, breekt de zon voorzichtig door de mist en alsof het universum, of God, ik loop immers een pelgrimstocht, mij iets probeert te vertellen hoor ik op dat moment de volgende songtekst van Passenger:

I wanna be free as the winds that blow past me
Clear as the air that I breath
To be young as the morning
And old as the sea

Ik weet weer waarom ik deze camino loop.