Marion Korevaar

Vele wegen brachten me tot hier

Verbonden

Voor me schuifelt een 22-jarige reizigster over het pad. Haar voeten doen zeer. De schoenen die ze draagt zijn haar onbekend. Haar hielen zijn ontveld en haar tenen stoten bij elke stap tegen de rand van haar schoen. De ondergaande zon kleurt het verdorde maisveld goudgeel. Terwijl mijn benen gedwongen zijn zich aan te passen aan het ritme van de wandelaarster voor me, laat ik mijn gedachten de vrije loop. Ik mijmer over Quetzaltrekkers en over de gemeenschap die ik samen met de andere gidsen vorm.

Ik werk, woon en leef samen met een groep mensen die ik twee maanden geleden nog niet kende. Hoewel het soms overweldigend is om zoveel mensen om me heen te hebben, voel ik me ook onderdeel van het geheel, van de gemeenschap. We koken samen, doen de afwas, ruimen op, organiseren trektochten, dragen verantwoordelijkheden voor onze cliënten en voor het voortbestaan van de school, we klagen over slaapgebrek, zijn tegelijk ziek, lachen om elkaar en om elkaars stupide acties en denken na over maatschappelijke vraagstukken.

Wat mij eigenaardig maakt, is bekend bij de andere Quetzaltrekkers. Wie dag en nacht samen is, kan zich niet verbergen. Ik voel me verbonden. Ik realiseer me dat ik dat gemist heb de afgelopen jaren. Na mijn studententijd was ik dochter, zus, vriendin, collega, docent en sportmaatje, maar nooit allemaal tegelijk.

22% van de Nederlanders woont alleen. Het woord alleenstaand dekt niet de lading. Ik sta niet alleen. Ik heb lieve vrienden en familie om me heen. En toch was ik meer alleen dan ik aan mezelf wilde toegeven. Ik was alleen als ik moe was, maar toch voor mezelf moest koken, ziek was en toch naar de winkel moest, iets grappigs, verdrietigs, moois of memorabels had meegemaakt en dat alleen via Whatsapp kon delen, niemand een hand op mijn schouder, een por in mijn zij of een duw in de rug gaf en ik mezelf wijs maakte dat ik dat niet nodig had. Na mijn studententijd was er niemand met wie ik vrijwel dagelijks alle aspecten van mijn leven deelde.

Een gemeenschap lijkt in Nederland voorbehouden te zijn aan stellen en gezinnen en toch geloof ik dat dat niet de enige manier is om je verbonden te voelen met anderen. De dorps-, kerk- en leefgemeenschap zoals die 50 jaar geleden bestond, is vervangen door een meer individualistische benadering van vrije tijd en relaties. De mogelijkheid om je leven zo in te kunnen richten als je zelf wilt, zonder de kritische blik van anderen, is een waardevolle verworvenheid. En toch vraag ik me af in hoeverre een gebrek aan gemeenschapszin bijdraagt aan gevoelens van depressie en het ontstaan van burn-outs. Als ik terugdenk aan mijn burn-out 5 jaar geleden, herinner ik me voornamelijk hoe zeer ik me vervreemd voelde van de wereld om me heen.

Quetzaltrekkers is hard werken: 7 dagen per week, soms 15 uur per dag. En toch voelt de werkdruk heel anders dan in het onderwijs. Als ik moe ben doet een ander de afwas en als een ander ziek is, zet ik thee. Als we elkaar aankijken weten we met één blik hoe de ander zich voelt en kunnen we daarop anticiperen. We dragen samen verantwoordelijkheid voor onze werkzaamheden, zorgen er samen voor dat we ons hier thuis voelen en zetten ons samen in voor hetzelfde doel: geld inzamelen voor Escuela de la Calle. Ik voel me verbonden met de mensen om me heen en het doel waarvoor ik me inzet en dat is elke pijnlijke spier, korte nacht en buikkramp waard.

Hoog gegrepen

Tussen de bomen dansen de hoofdlampen van de wandelaars die voor me lopen. Mijn lamp is gericht op de rotsachtige ondergrond. Af en toe kijk ik op in de hoop dat ik de afstand met de andere wandelaars heb weten te overbruggen. Elke blik in de verte vergroot echter mijn wanhoop. Mijn handen en voeten tintelen, ik voel me misselijk en elke stap kost moeite. Ik probeer niet in paniek te raken, rustig te blijven, te ademen, me alleen te focussen op de volgende stap. Het pad wordt steiler. Met handen en voeten klauter ik omhoog. Bovenaan het steile gedeelte wacht de andere gids. Ik plof neer op de grond, probeer golven van misselijkheid te negeren en kijk uiteindelijk op naar Sebastian. “Het gaat niet. Ik keer om.”

Het hoogste punt in Midden-Amerika is de vulkaan Tajumulco. De 4220 meter die deze vulkaan hoog is, boezemt me angst in. Na 5 tochten naar het meer kijk ik echter ook uit naar een nieuwe tocht, een nieuwe uitdaging.

Ik hoop vooraf dat een van de wandelaars een pakezel heeft geboekt. Dat scheelt mij als gids een hoop gesjouw. Een dag voor vertrek ontmoet ik de andere wandelaars. Het zijn er drie. Ze vertellen waar ze vandaan komen: Nieuw-Zeeland, Pyreneeën en de Alpen en ik denk: dat wordt doorlopen morgen en een pakezel zit er vast niet in.

Mijn vrees blijkt ongegrond te zijn. Het is een geleidelijke klim en ik vind al snel een monotoon ritme dat het toelaat om weg te dromen. Na anderhalf uur wandelen liggen we een uur voor op schema. We lassen een pauze in, eten avocado’s en genieten van de zon. Het wolkendek bevindt zich onder me.

Rond 3800 meter wordt ademen lastiger, mijn benen voelen zwaar. Bewegen kost steeds meer energie en gaat trager en trager. Aan het bewegingsritme van de andere wandelaars kan ik zien dat ook zij strijden tegen een gebrek aan zuurstof. Ik voel me licht in mijn hoofd. Sneller dan verwacht wordt het basiskamp bereikt. We zetten de tenten op, verzamelen hout voor het kampvuur en doen een dutje in de zon.

Voor zonsondergang staat nog een klim van 100 meter op het programma naar de tweede top van Tajumulco, Cerro Concepcion (4100 meter). De inspanning kost me verrassend veel moeite. De top is gehuld in wolken. Ik heb het koud. Het uitzicht is niet wat ik ervan had verwacht.

Tot het ze, opeens, toont in z’n hogen staat.* Opnieuw word ik gegrepen door de kleurschakeringen. Elke meter wandelen, en soms afzien, is dit uitzicht waard. De majestueuze top van Tajumulco, de pittoreske dorpjes in het dal, de paars-roze wolken en de vuurrode zon zijn adembenemend.

Mijn misselijkheid en de moeizame meters naar de top ben ik al snel vergeten. Ik hoef nog maar 12 uur te wachten tot zonsopkomst. We dalen in het donker af naar het basiskamp, 100 meter lager.

Het is muisstil in het bos. We zijn de enige wandelaars. Het kampvuur houdt ons warm en de sterrenhemel is minstens zo spectaculair als de zonsondergang. Om 21 uur is het tijd om te gaan slapen. De wekker gaat de volgende ochtend om 3.45. Er moet nog een uur geklommen worden om de de zonsopgang te zien.

Slapen doe ik echter nauwelijks. Ik heb het ijskoud, mijn blaas lijkt door de hoogte en de kou gekrompen te zijn en mijn buik is van slag. Als de wekker gaat, voel ik me belabberd. Aan opgeven wil ik echter niet denken. Ik heb de afgelopen twee jaar meer dan 2000 kilometer gewandeld. 200 meter klimmen zou geen onhaalbare afstand moeten zijn.

En toch keer ik om voor ik de top heb bereikt. De zonsopkomst vanaf het basiskamp is zeker niet onaardig, maar het gevoel dat ik heb gefaald, laat me niet los. Had ik met wat meer doorzettingsvermogen die top toch niet kunnen halen? Ik denk terug aan de Amerikaan die drie dagen heeft afgezien. 150 meter klimmen is een minimale afstand.

In Xela vragen de andere gidsen naar mijn eerst TJ, Tajumulco. Ik baal nog steeds, heb geen zin om te praten, om te vertellen dat ik ben omgekeerd. De wekelijkse voetbaltraining met de kinderen sla ik over. Een ervaren gids blijft ook achter, vraagt me naar mijn ervaring, en als ik dan eindelijk vertel dat ik ben omgekeerd, is haar reactie: “Goed zo, dat was de enige juiste beslissing”.

Ik zag niet de zonsopkomst vanaf de top, maar wel de zonsondergang vanaf de tweede top, haalde niet het hoogste punt van Midden-Amerika, maar wel het op één na hoogste punt. De top was hoog gegrepen, maar niet te hoog. En komen nog genoeg kansen.

* Een kleine ode aan J.C. Bloem

Ademnood

“Je ademt niet eens”. Een 61-jarige Amerikaan kijkt me verontwaardigd aan. Aan zijn tas bungelt een Caminoschelp. Na vier haarspeldbochten, wat boomstronken en onhandig geplaatste stenen, staat de man hijgend bij te komen. Hoe lang dit zo doorgaat? Diplomatiek antwoord ik dat we bijna bij de eerste rustplek zijn. 5 ademteugen, een paar wandelpassen vooruit, weer wat ademteugen, een wanhopige blik, en en nog wat passen vooruit. Het is de vijfde keer dat ik deze berg op wandel. De klim begint op 2300 meter en eindigt op 3050. Ik voel mee met de man die het zweet van zijn voorhoofd veegt en probeert zijn ademhaling te controleren. Op 3000 meter hebben de meeste mensen geen last van hoogteziekte, maar je merkt wel dat de lucht ijler is.

Ik denk terug aan mijn eerste tocht. Net als de man die voor mij loopt, kwam ik na een paar passen al in ademnood. Trillend op mijn benen probeerde ik de verzuring in mijn kuiten te negeren, terwijl ik me wanhopig afvroeg hoe ik dit nog 18 keer zou gaan doen.

Ik spreek de Amerikaan bemoedigend toe, terwijl ik ondertussen van het uitzicht geniet. De vulkanen Santa Maria en Tajumulco torenen boven het landschap uit. Ik zie Xela, de stad waar ik woon. De Amerikaan en ik vorderen langzaam. Guatemalteken lopen me tegemoet. Ze dragen hout op hun rug. Het kappen van bos is voor hen de goedkoopste manier om hun huis te verwarmen of te koken. De Amerikaan drinkt een slokje water. Ik neem de hoge, oeroude bomen in me op en geniet van alle kleuren op me heen: de verschillende kleuren groen van het bos, de fel gekleurde bloemen, de zon die door de bladerenschijnt.

Ik adem wel, maar je hoort me niet. De helling die eerst zo onmogelijk leek, heeft inmiddels geen geheimen meer voor me. Tijdens mijn vierde wandeltocht, slechts 3 dagen eerder, heb ik mijn weg door het bos weten te vinden door voetsporen te volgen. De ervaren gids op deze route moest onverwachts terugkeren met een wandelaar die ziek was geworden en na 10 minuten klimmen moest afhaken. Bij elk kruispunt bluf ik mezelf de juiste richting uit. De groep volgt me vol vertrouwen. Ik haal opgelucht adem als ik aan het einde van de helling het bos achter me laat en op de juiste plek in het maïsveld uitkom.

Vandaag loop ik echter achteraan. Tussen twee ademhalingen in verontschuldigt de Amerikaan zich. Hij wil mijn hike niet verpesten. Dat doet hij ook niet. Het voelt nog steeds als een voorrecht om hier te mogen wandelen en van de natuur te mogen genieten. Elke hike ben ik fysiek fitter dan de vorige keer en heb ik meer energie over om aandacht te besteden aan mijn omgeving. Ik antwoord dat ik dit werk vrijwillig doe en dat ik hier niet zou lopen als ik dat niet graag zou doen.

De Amerikaan zet door. Van vermoeidheid zet hij soms een pas naast het pad. Ik probeer hem voor valpartijen te behoeden door zijn tas vast te grijpen. De andere wandelaars juichen de Amerikaan toe als we de lunchplek bereiken en Don Pedro onthaalt hem aan het einde van de dag met veel liefde en gastvrijheid in zijn huis.

Als de wekker de volgende ochtend om 3.40 uur gaat, moppel ik tegen mijn medegids dat het midden in de nacht is en ik trek mijn slaapzak nog even over mijn gezicht. 5 minuten later sta ik toch op en maak ik de andere wandelaars wakker.

Ik haal de medkit tevoorschijn, plak wat tape op voeten, deel paracetamol uit, zoek mee naar verloren kledingstukken en maan de wandelaars aan tot haast. De zonsopkomst wacht op ons. De Amerikaan zucht nog eens diep. De laatste meters naar het uitkijkpunt gaan door een stikdonker maïsveld. De wandelaars leggen hun matjes neer, pakken hun slaapzak en kijken verwachtingsvol naar de horizon terwijl wij, de gidsen, water koken en het ontbijt klaarzetten.

Langzaam verkleurt de hemel: van zwart naar donkerblauw, naar rood, roze, oranje en uiteindelijk laat ook de zon zich zien. Fuego erupt en voegt wat donkere aswolken aan het kleurspektakel toe. Ik deel thee, koffie en chocolademelk uit, maak wat foto’s van wandelaars en denk: “Morgen mag ik weer.

Hike vulcanoes, help kids

Voor mountainreporters schreef ik een blog over mijn activiteiten voor Quetzaltrekkers.

https://www.mountainreporters.com/nieuw/hiken-in-guatemala/

In den vreemde

Het voornemen om een dagboek (of een blog) bij te houden, strandt al sinds mijn kinderjaren na enkele zinnen. Als ik echter de agenda’s van mijn oud-klasgenoten zou teruglezen of de internetfora die ik deelde met mijn voormalige collega’s in de c1000 of dispuutsgenoten, zou ik heel wat dagboeken kunnen vullen. Het delen van dagelijkse beslommeringen en spontane gedachten en observaties gaat me heel wat makkelijker af dan het schrijven van zorgvuldig doordachte tekst. Een zorgvuldig doordachte tekst, een dagboekpagina of een blog, verlangt dat ik weet wat ik wil zeggen. Ik weet echter niet zo goed hoe ik woorden kan geven aan de indrukken die ik tot nu toe heb opgedaan.

#guatemala

Quetzaltrekkerhoofdkwartier

In eerste instantie vallen de omheiningen, het prikkeldraad en de bewakers in Guatemala-City op. Ik ontmoet Amerikanen en Europeanen die zich in Guatemala hebben gevestigd. Ze zijn op reis gegaan, voelden zich thuis en zijn gebleven. Ik vraag me af welke aantrekkingskracht het land op ze heeft. Ik zie vooral heel veel zwerfhonden en -katten, vervuilende auto’s en bussen, overal electriciteitsdraden en mensen met wie ik niet kan communiceren omdat mijn Spaans niet toereikend is. Ik voel me ongemakkelijk op straat. Statistieken over geweld en onveiligheid maken me wantrouwig. Thuis voel ik me niet in deze vreemde omgeving.

#Guatemala

Uitzicht vanuit mijn kamer

Als ik echter na twee driedaagse wandelingen terugkeer in Xela, verheug ik me erop mijn huisgenoten, de andere gidsen weer te zien, en verhalen uit te wisselen over de hikes, verlang ik naar mijn eigen bed en rommelt mijn maag bij het idee dat ik morgen verse broodjes kan halen voor het ontbijt. In de chaos van de markt aan het einde van de straat, weet ik de groente-, bananen-, appel- of avocadokraam te vinden die de beste producten verkoopt. Verscholen onder electriciteitsdraden en kleurrijke gevels, bevinden zich hippe lunchtentjes die vegetarische opties op de kaart hebben staan. Mijn was breng ik naar de lavanderia aan de overkant van de straat.

#Guatemala

Een dorpje in de bergen

De stad die eerst zo vreemd leek, voelt lang zo vreemd niet nu ik mijn weg weet te vinden. Ik voel me niet langer ongemakkelijk maar verwachtingsvol. Ik ben heel benieuwd wat deze stad me de komende maanden zal brengen .

Geef me de ruimte!*

Op de meeste vragen weet ik geen antwoord. Op vragen die met mijn reisplannen te maken hebben al helemaal niet. Vind ik het spannend? Heb ik er zin in? Vind ik het niet lastig om geen baan en eigen huis meer te hebben? Wat ga ik doen als ik terugkom?

Soms twijfel ik even: zou ik niet veel meer zin moeten hebben of nerveuzer moeten zijn? Zou ik toch een toekomstplan moeten verzinnen en moeten nadenken over een nieuwe baan en woonruimte?

Feit is dat zowel op reis gaan als terugkomen onvoorstelbaar is. Ik heb geen idee hoe het zal zijn om in Guatemala te wonen, of ik fysiek opgewassen ben tegen zoveel wandelen, of ik mijn vrienden en familie erg ga missen en of een onuitgestippeld levenspad me onrustig maakt.

Ik heb geen idee wat dit reisplan met me doet en daarmee is het nu al geslaagd. Niet weten maakt dat ik mezelf mag verwonderen en het onvoorstelbare mag ervaren. Niet weten geeft ruimte.

Antigua: Cerro de la Cruz

(* Een kleine ode aan Thea Beckman)

Santiago de Compostella (#4)

Dit is mijn laatste nacht in een herberg. Morgen slaap ik in een hostel en hoef ik geen wekker meer te zetten, kan ik een kilo fruit kopen zonder dat mee te hoeven sjouwen, zal ik weer de moeite nemen om mijn benen te scheren, zet ik mijn wandelschoenen in een hoek en trek ik ze niet meer aan. Vanaf morgen ben ik geen pelgrim meer, maar toerist. Morgen heb ik 577 kilometer afgelegd, heb ik Santiago de Compostella bereikt.

Ik probeer me voor te stellen hoe ver 577 kilometer is. Ik raadpleeg Google. Als ik vanuit Leiden naar Maastricht zou wandelen, hoeveel kilometer zou dat dan zijn? Het antwoord blijkt 194 kilometer. Maastricht is dus eigenlijk best dichtbij. Ik googel verder. En Leiden-Parijs dan? Tot mijn verbazing blijkt ook Parijs ‘in de buurt’ te liggen. De afstand per voet is 447 kilometer. Ik zoek nog wat verder en ontdek dat de afstand Leiden-Orleans vergelijkbaar is met de afstand die ik heb afgelegd de afgelopen weken. Dat is een autorit van 7 uur en 33 minuten. Het is verwonderlijk hoe ver je lopend kunt komen met wat tijd en geduld.

De wekker gaat en ik voel dezelfde spanning en verwachting als vroeger voor Sinterklaas. Het is een onwerkelijk idee: de afstand die ik vandaag afleg, hoef ik morgen niet meer te wandelen. Of overmorgen, of de dag erna. Het is vandaag koud, 17 graden, en het regent een beetje. In gedachten neem ik afscheid van mijn camino. Het laatste 25-kilometerpunt, de laatste lunch, de laatste keer een regenhoes gebruiken, het laatste water uit mijn bidon, de laatste keer sokken wisselen, voor het laatst nieuwe blaren, een laatste ‘buèn camino’ voordat de stroom aan wandelaars te groot wordt en de gezichten te onbekend om elkaar nog gedag te zeggen.

Tien kilometer voor Santiago de Compostella verdwijnt mijn melancholische gemoedstoestand als ik de beek passeer waarin pelgrims zich van oudsher wassen. Het zien van de beek vergroot het gevoel van verwachting. Ik beklim nog één heuvel, Monte de Gozo. In de kapel bovenop de heuvel vraag ik om mijn een-na-laatste stempel. Vanaf Monte de Gozo kan ik Santiago de Compostella zien liggen. Het besef dat duizenden pelgrims vanaf deze heuvel voor het eerst zicht hadden op hun eindbestemming, creëert een gevoel van verbondenheid.

Ik zie een treintje door de oude straten van de stad rijden. Het puilt uit van de toeristen en ik grap: ‘Wow, this is the complete opposite of walking a camino.’ Dan zie ik een tunnel. In de tunnel speelt een doedelzakspeler Gallicaanse muziek en ik begin te huilen. Aan het eind van de tunnel bevindt zich de kathedraal. In mijn fantasie heeft de kathedraal de vorm aangenomen van een Disneypaleis, maar in werkelijkheid blijkt de kerk in de steigers te staan als gevolg van waterschade. Ik schiet in de lach. Een pelgrim wijst me op de 0-kilometersteen. Ik besef dat het klaar is. De bijbelse zin ‘het is volbracht’ schiet door mijn hoofd.

Op het plein voor de kathedraal zitten groepjes pelgrims. De rugzakken liggen achteloos verspreid om hen heen. Ook ik ga zitten naast de pelgrims met wie ik het laatste deel van de camino heb gewandeld. Ik ken hun beweegreden voor het wandelen van deze tocht, weet waarom het bereiken van de eindbestemming belangrijk is en deel met hen in de emoties die vrijkomen. Ik kijk om mij heen en zie de gezichten van de pelgrims die na mij aankomen. Ik zie hoe mountainbikers hun fiets optillen tot boven het hoofd. Ik zie hoe een groep jongeren samen een lied zingt, danst en in de handen klapt. Ik zie kinderen die hun vader opwachten en de uitgelaten reactie van een hond die zijn baasje weer ziet. Hij is er weer. Ik zie pelgrims die elkaar omhelzen en huilen.

Ik voel me plotseling moe en uitgeput, maar ook ontzettend trots en dankbaar. Ik hoef morgen misschien niet meer te wandelen, maar de reis die ik heb gemaakt eindigt niet bij de 0-kilometersteen.

Afstand (#3)

In Galicia staan om de paar meter paaltjes waarop het aantal kilometers tot aan Santiago wordt getoond. Elk paaltje brengt me een beetje dichterbij mijn eindbestemming. Dat zou een opluchting moeten zijn, maar zo voelt het niet.

Als ik een goed boek lees, zie ik vaak op tegen het moment waarop het verhaal eindigt. Ik voel me altijd wat verloren als ik na het lezen van de laatste zin, weer terugkeer naar mijn eigen werkelijkheid. De opgeroepen emoties en de beelden zijn nog aanwezig, maar als lezer maak ik geen deel meer uit van het verhaal.

Zo voel ik me ook nu ik Santiago de Compostela nader. De laatste pagina’s worden omgeslagen, maar ik ben er nog niet klaar voor om dit boek dicht te slaan. Ik ben gehecht geraakt aan het pelgrimsleven.

Van de gedachten die in mijn hoofd rondspoken, kan ik niet slapen. Ik tel de uren af tot ik weer mag lopen en merk de volgende ochtend op dat dat precies is wat ik nodig heb. Het verbaast me dat wandelen zelfs na 23 dagen nog louterend werkt.

Drie weken geleden schreef ik dat veel pelgrims op pad gaan omdat ze afstand willen nemen van het leven dat ze thuis leiden. Ik wandel deze camino niet omdat ik op zoek ben naar antwoorden. Ik ben gewoon een docent met heel veel weken vakantie. Mijn leven heb ik overzien tijdens mijn burn-out. Nu ben ik tevreden. Mijn leven is in balans.

Toch is afstand nemen wel het effect dat de camino heeft. Terwijl ik door Galicia wandel, vraag ik me af of de balans die ik heb gecreëerd me wel echt gelukkig maakt. Heb ik de afgelopen jaren niet gewoon geleerd niet te veel te piekeren en genoegen te nemen met de norm?

In een leven dat gedomineerd wordt door een klok, of een schoolbel, is namelijk geen tijd om eindeloos over bepaalde vragen na te denken, te twijfelen. Er is geen tijd om stil te staan bij emoties of met aandacht te kijken naar de natuur.

Ik geniet daarom van de intense emoties die deze ervaring oproept. Het aangaan van de strijd met mijn eigen emoties en gedachten, vertelt me iets over wie ik ben en wat ik belangrijk vind. Ik bedenk me dat geluk voor mij geen optelsom van positieve gevoelens inhoudt. Misschien betekent geluk wel gewoon ‘in contact met mezelf’ en dat is precies wat de camino me heeft gegeven.

Het kilometerpaaltje vertelt me dat ik nog 50 kilometer van mijn eindbestemming ben verwijderd. Ik heb nog tijd om te verzinnen hoe ik van mijn eindbestemming een tussenstap kan maken, en van een dichtgeslagen boek een boekenreeks.

I wanna be free as the winds (#2)

Het bos waardoor ik afdaal geeft me een desolaat gevoel. Een deel van de bomen is gekapt. De zwartgeblakerde stammen liggen verspreid over de helling. De bomen die nog overeind staan, hebben de bosbrand van april overleefd. Alleen de toppen van die bomen staan in blad. Het felle groen van de boombladeren en de varens op de grond contrasteert tegen de donkere takken en stammen. Het bos herinnert mij aan Estland door de saunageur die ik ruik. Het gerinkel van koebellen verraadt de aanwezigheid van vee. Ik vraag me af wat slechter is: het eten van een koe die roetdeeltjes heeft gegeten of een koe die zwartgeblakerd is van de barbecue. In de verte zie ik een stuwdam.

Het uitzicht is indrukwekkend, maar de afdaling is allesbehalve comfortabel. Binnen 8 kilometer wordt er 900 meter gedaald. De hoogtemeters van de afgelopen dagen voel ik in mijn vermoeide voeten, zere schouders en bovenal mijn knieën. Ik probeer mijn voeten niet te lomp neer te zetten en mijn spieren aan te spannen, maar dat kost energie. Als ik bij het stuwmeer ben, heb ik een pauze verdiend. Ik ben moe. Ik wil niet meer.

Het is nog 7 kilometer wandelen tot de volgende albergue (herberg). Die afstand is te overzien, maar ik weet ook dat er nog 500 meter moet worden gestegen. De route biedt geen afleiding. De autoweg waarlangs ik loop, kun je niet het hoogtepunt van de camino noemen. Ik neem kleine pasjes, het voelt alsof er lijm onder mijn schoenen zit en ik kijk voortdurend zuchtend om. Het schiet niet op. Langs de weg staan kilometerbordjes. De bordjes tellen af tot Grandas de Salime. Dat is de plek waar ik naartoe ga. Als het kilometerbordje ‘2 kilometer’ aangeeft, weet ik dat ik er bijna ben. De gele pijl stuurt mij plotseling van de autoweg af, richting het bos. Het bijbehorende bordje geeft aan dat ik over 1.5 km bij de herberg ben. Ik sla af en bedenk me dat ik over 15 minuten in een bed kan gaan liggen. Het pad gaat meteen stijl omhoog. Ik scheld hardop: ‘Stelletje, fuckers! Willen gewoon geen pelgrims over de autoweg. Dit is echt geen 1.5 kilometer.’ Een pelgrim zit op een steen. Kramp. Ik vraag of hij water heeft en of ik wat voor hem kan doen, maar hij wil geen hulp. Ik zwoeg door. Het zweet druppelt over mijn voorhoofd, mijn sokken voelen nat, af en toe verlies ik bijna mijn evenwicht. De helling is te stijl voor een lichaam dat niet meer wil.

Als ik in Grandas de Salime aankom, besluit ik naar een albergue privado te gaan en niet naar een albergue municipal. De afgelopen twee nachten sliep ik in oude schoolgebouwtjes met dode vliegen op de vloer, krakkemikkige stapelbedjes, beschimmelde douches en dunne, verzakte matrassen waardoor je de lattenbodem kunt voelen. De gemeentelijke herbergen voldoen, zijn zelfs gezellig te noemen, maar vannacht wil ik heel lang en goed slapen. Ik betaal dus 6 euro meer voor een slaapzaal met een echt bed.

Nadat ik me heb gedoucht, kruip ik meteen in bed en val in slaap. Een uur later word ik wakker. Er arriveert een oudere Italiaanse man. Ik weet meteen: dat is een snurker. Het is een overhaaste generalisatie die toch vaak waar blijkt te zijn: oudere mannen met overgewicht snurken. Hij krijgt het bed boven mij toegewezen en ik hoop dat mijn vooroordeel niet waar blijkt te zijn.

Het is inmiddels 01.00 uur en ik kan wel huilen. De Italiaanse pelgrim snurkt niet alleen, maar maakt in zijn slaap ook kermende geluiden. Bovendien laat hij luide scheten en krijgt hij het voor elkaar om dit stevige stapelbed harder te laten bewegen dan een krakkemikkig bedje uit een gemeentelijke herberg. Ik neem mijn zelfopblazende campingmatje en ga slapen in de keuken. Terwijl ik mijn ‘bed’ sta op te maken, komt de Sloveense pelgrim uit het stapelbed naast mij naar de keuken. Hij begint te lachen als hij ziet dat ik daar met mijn campingmatje sta, maar moet vooral ook even stoom afblazen. Ook hij heeft nog niet geslapen.

Ik val onmiddellijk in slaap, maar word om half 5 alweer wakker, omdat de Italiaanse pelgrim heeft bedacht dat hij in het holst van de nacht wil vertrekken en het licht daarom aandoet in de keuken. Ik zucht, pak mijn dekens op en verkas weer naar de slaapzaal, waar ik nog twee uur probeer te slapen.

Als mijn wekker uiteindelijk gaat om half 7, voel ik mij moe. De dichtstbijzijnde herberg is 27 kilometer lopen van Grandas de Salime en het mantra dat in mijn hoofd klinkt, is: ‘Dat kan ik niet!’. Ik wil echter ook niet zomaar opgeven en maak twee afspraken met mezelf: als het echt niet gaat, neem ik een taxi naar de volgende plek en ik stop bij elke bar om iets te eten en te drinken. De energievoorraad die ik thuis met veel liefde, chocola, heb aangelegd, slinkt vlot en in de spiegel zie ik een vermagerde versie van mezelf.

De eerste 2.5 kilometer moet ik huilen. 27 kilometer lijkt een onoverbrugbare afstand. Bovendien is het mistig, waardoor ik me nog meer verloren voel. Bij het eerste barretje plof ik neer. Ik drink wat, eet een potje Pringles en praat met andere pelgrims. Sommige pelgrims luisteren muziek tijdens het wandelen. Dat vind ik zonde, want hoe kun je dan de vogels, en bijen en koeien horen, maar ik heb iets nodig wat me vandaag motiveert. Ik zet een afspeellijst aan en loop verder. Ik merk op dat ik vooral mentaal moe ben, want mijn lichaam lijkt ondanks de onrustige nacht goed hersteld te zijn. Eigenlijk loop ik best wel lekker. Als ik de grens tussen Asturië en Galicia passeer, breekt de zon voorzichtig door de mist en alsof het universum, of God, ik loop immers een pelgrimstocht, mij iets probeert te vertellen hoor ik op dat moment de volgende songtekst van Passenger:

I wanna be free as the winds that blow past me
Clear as the air that I breath
To be young as the morning
And old as the sea

Ik weet weer waarom ik deze camino loop.

Camino del Norte

Alle tijd van de wereld (#1)

Het is half 8. Ik wandel in mijn eentje en zie hoe de zon probeert door het wolkendek heen te breken. Als dat even lukt, krijgt het gras een intens groene kleur. De koeien zijn zonder dat ze dat weten, leden van een orkest. Wind en beweging dirigeren hun instrumenten. Het rinkelende geluid van koebellen is nooit ver weg.

Mijn beleving van tijd is anders tijdens het lopen. Ik zou elke wandeltocht kunnen meten in lesuren of in Netflixafleveringen. Het besef dat een wandeltocht 7 Netflixafleveringen duurt, zou me echter onmiddellijk ontmoedigen. Hoewel ik mezelf regelmatig verlies in een boeiende serie en dan het gevoel kan hebben dat een aflevering maar 1 minuut heeft geduurd, kijk ik nooit 7 afleveringen in één dag. Mijn hoofd zou uitgeput raken van alle indrukken.

Mijn beleving van tijd is anders tijdens het lopen.

Ik dacht dat ik me op een gegeven moment zou gaan vervelen, dat elke wandeling heel lang zou duren, maar niets blijkt minder waar te zijn. Niet alleen verandert de lucht steeds van kleur en hoor ik het rinkelende geluid van grazende koeien, maar ook zie ik vlinders met elkaar dansen en Spaanse muurhagedissen zonnen op een steen.

De kleur groen heeft oneindig veel varianten. Soms loop ik over een paadje door een oud bos met boomstronken die boven mij uit torenen. Het groen is somber en intens. Dan loop ik weer door een grasveld met wilde bloemen. Het groen licht op door de zon en steekt fel af tegen de felle kleuren van de bloemen.

Ik heb geen haast.

De Camino Primitivo loopt door het Asturische platteland. Ik loop door dorpjes en zie de bloemrijke gevels van de huizen. Omaatjes in omajurken hangen uit een raam. Ik groet ze en ze wensen me ‘Buen Camino’. Ik zie uitgestrekte boomgaarden, maar fruit kan ook zo worden geplukt of opgeraapt langs de kant van de weg: voornamelijk pruimen en bramen. De appels en avocado’s zijn nog niet rijp. Een oud boertje voert samen met zijn kleinzoon de koeien over de weg naar de nabijgelegen weide. Een hond kijkt nauwlettend toe.

Het landschap verandert. De Asturische bergen doemen in de verte op. Over een paar dagen wandel ik door het decor dat ik nu van een afstandje bekijk. Ik heb geen haast. Het maakt niet uit of ik vandaag 6 uur of 7 uur doe over de wandeltocht. Ik zoek een mooie plek om mijn sokken even te drogen en eet wat. Terwijl ik alle indrukken op me in laat werken, realiseer ik mij hoe fijn het is om alle tijd van de wereld te hebben (toch nog zeker 2 weken).

Page 2 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén

%d bloggers liken dit: