Dit is mijn laatste nacht in een herberg. Morgen slaap ik in een hostel en hoef ik geen wekker meer te zetten, kan ik een kilo fruit kopen zonder dat mee te hoeven sjouwen, zal ik weer de moeite nemen om mijn benen te scheren, zet ik mijn wandelschoenen in een hoek en trek ik ze niet meer aan. Vanaf morgen ben ik geen pelgrim meer, maar toerist. Morgen heb ik 577 kilometer afgelegd, heb ik Santiago de Compostella bereikt.

Ik probeer me voor te stellen hoe ver 577 kilometer is. Ik raadpleeg Google. Als ik vanuit Leiden naar Maastricht zou wandelen, hoeveel kilometer zou dat dan zijn? Het antwoord blijkt 194 kilometer. Maastricht is dus eigenlijk best dichtbij. Ik googel verder. En Leiden-Parijs dan? Tot mijn verbazing blijkt ook Parijs ‘in de buurt’ te liggen. De afstand per voet is 447 kilometer. Ik zoek nog wat verder en ontdek dat de afstand Leiden-Orleans vergelijkbaar is met de afstand die ik heb afgelegd de afgelopen weken. Dat is een autorit van 7 uur en 33 minuten. Het is verwonderlijk hoe ver je lopend kunt komen met wat tijd en geduld.

De wekker gaat en ik voel dezelfde spanning en verwachting als vroeger voor Sinterklaas. Het is een onwerkelijk idee: de afstand die ik vandaag afleg, hoef ik morgen niet meer te wandelen. Of overmorgen, of de dag erna. Het is vandaag koud, 17 graden, en het regent een beetje. In gedachten neem ik afscheid van mijn camino. Het laatste 25-kilometerpunt, de laatste lunch, de laatste keer een regenhoes gebruiken, het laatste water uit mijn bidon, de laatste keer sokken wisselen, voor het laatst nieuwe blaren, een laatste ‘buèn camino’ voordat de stroom aan wandelaars te groot wordt en de gezichten te onbekend om elkaar nog gedag te zeggen.

Tien kilometer voor Santiago de Compostella verdwijnt mijn melancholische gemoedstoestand als ik de beek passeer waarin pelgrims zich van oudsher wassen. Het zien van de beek vergroot het gevoel van verwachting. Ik beklim nog één heuvel, Monte de Gozo. In de kapel bovenop de heuvel vraag ik om mijn een-na-laatste stempel. Vanaf Monte de Gozo kan ik Santiago de Compostella zien liggen. Het besef dat duizenden pelgrims vanaf deze heuvel voor het eerst zicht hadden op hun eindbestemming, creëert een gevoel van verbondenheid.

Ik zie een treintje door de oude straten van de stad rijden. Het puilt uit van de toeristen en ik grap: ‘Wow, this is the complete opposite of walking a camino.’ Dan zie ik een tunnel. In de tunnel speelt een doedelzakspeler Gallicaanse muziek en ik begin te huilen. Aan het eind van de tunnel bevindt zich de kathedraal. In mijn fantasie heeft de kathedraal de vorm aangenomen van een Disneypaleis, maar in werkelijkheid blijkt de kerk in de steigers te staan als gevolg van waterschade. Ik schiet in de lach. Een pelgrim wijst me op de 0-kilometersteen. Ik besef dat het klaar is. De bijbelse zin ‘het is volbracht’ schiet door mijn hoofd.

Op het plein voor de kathedraal zitten groepjes pelgrims. De rugzakken liggen achteloos verspreid om hen heen. Ook ik ga zitten naast de pelgrims met wie ik het laatste deel van de camino heb gewandeld. Ik ken hun beweegreden voor het wandelen van deze tocht, weet waarom het bereiken van de eindbestemming belangrijk is en deel met hen in de emoties die vrijkomen. Ik kijk om mij heen en zie de gezichten van de pelgrims die na mij aankomen. Ik zie hoe mountainbikers hun fiets optillen tot boven het hoofd. Ik zie hoe een groep jongeren samen een lied zingt, danst en in de handen klapt. Ik zie kinderen die hun vader opwachten en de uitgelaten reactie van een hond die zijn baasje weer ziet. Hij is er weer. Ik zie pelgrims die elkaar omhelzen en huilen.

Ik voel me plotseling moe en uitgeput, maar ook ontzettend trots en dankbaar. Ik hoef morgen misschien niet meer te wandelen, maar de reis die ik heb gemaakt eindigt niet bij de 0-kilometersteen.